Vrije Ruimte, Kleinschaligheid en Bescheidenheid

vrije-ruimteVrije ruimte

De analyse die ik met u wil delen begint in de jaren 70 . In die periode zien wij dat de overheid steeds meer uitvoerende taken tot haar verantwoordelijkheid gaat rekenen, op basis van de overtuiging dat de samenleving maakbaar is. Professionalisering en rationalisering zijn sleutelwoorden en leiden er toe dat taken die tot dan toe ook op basis van publieksparticipatie (vrijwilligerswerk) uitgevoerd worden, overgenomen worden door professionele organisaties. Het is een periode van verstatelijking, waarbij subsidieverstrekking en regelgeving belangrijke stuurmiddelen zijn. De verzorgingsstaat ontstaat .

Rond de eeuwwisseling zien wij een aantal nieuwe ontwikkelingen. Schnabel ziet vijf langlopende trends: individualisering, informalisering, informatisering, internationalisering en intensivering. De gezagsverhoudingen tussen mensen onderling en tussen overheid en samenleving zijn veranderd . De studies ’Vertrouwen in Democratie’ van de Raad voor het Overheids Beleid en het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid ‘Vertrouwen in de Burgers’ laten zien dat er een tanend vertrouwen is in de wijze waarop bestuur en politiek haar taak en verantwoordelijkheid invult en dat de burger meer armslag wil hebben om zijn eigen ‘ruimte’ te bepalen en in te delen. De burger wil meer betrokken worden en minder gehinderd worden door allerlei wet en regelgeving.

De overheid komt tot de conclusie dat er een onbetaalbaar systeem ontwikkeld is dat niet toekomstbestendig is. Verandering is noodzakelijk van een verzorgingsstaat naar een samenleving waarin actieve burgerparticipatie verankerd is en eigen verantwoordelijkheid genomen wordt. In deze ontstatelijking zijn de nieuwe uitgangspunten co-creatie, samenwerken, meer eigen verantwoordelijkheid en participatie. Onderdeel daarvan is ook verandering in de rolverdeling tussen centrale en decentrale overheden. Het intrekken van diverse subsidies en het formuleren van andere taakopvattingen hebben er toe geleid dat er ruimte is gekomen voor nieuwe inzichten en initiatieven.

(dit is een deel van het volledige artikel: Vrije Ruimte, Kleinschaligheid en Bescheidenheid)

Kleinschaligheid

In de analyse van trends waar wij nu mee te maken hebben is globalisering belangrijk. Gesignaleerd wordt dat deze globalisering of schaalvergroting tegelijk lokalisering oproept, een verschijnsel dat  aangeduid wordt als ‘glocalisation’[1]. De natiestaat verliest door de globalisering haar ‘naturalness’[2] . Er is sprake van overdracht van formele bevoegdheden en uitvoeringstaken van de staat naar zowel continentale machtsblokken als naar regionale en lokale eenheden.

Wij zien breuken ontstaan in de ‘groot is – efficiënt-  gedachte’. Dé-fusie of het splitsen van taken in zelfstandige organisaties staat op de agenda[3]. Bij de vakbonden zien wij het loslaten van de overkoepelende structuren, naar zeggenschap op sector en lokaal niveau. Wat is de betekenis van de opkomst van de zelfstandige professional? Cijfers van het CBS en CPB laten zien dat er inmiddels 750.000 mensen zijn die voor eigen rekening en risico diensten aanbieden. Organisaties organiseren zichzelf steeds meer in projecten, programma’s of heel specifiek rondom een product.  De uitvoering wordt in kleine overzienbare en op een resultaat gerichte units georganiseerd. Differentiatie en maatwerkwerk zijn uitgangspunten op uitvoerend niveau en van de stafafdelingen en het management wordt dit ook verwacht.

(dit is een deel van het volledige artikel: Vrije Ruimte, Kleinschaligheid en Bescheidenheid)

Bescheidenheid

In het  voorgaande heb ik laten zien dat er ruimte gevraagd wordt en dat er ruimte gekomen is om op een innovatieve manier vorm te geven aan de gevraagde participatie van burgers en de wens en noodzaak van medewerkers om meer autonomie te krijgen in de uitvoering van taken. Het is tijd voor een ‘reset’ van opvattingen over inrichting van de samenleving. Als je dit toegevoegt aan de bestaande besturingsconcepten die gebaseerd zijn op zelfstandigheid, maakbaarheid en hiërarchie, moet het organiseren naar mijn mening ook benaderd worden vanuit een meer ecologisch of evolutionair perspectief. Organisaties en overheid zijn dynamisch gelaagde configuraties die ingebed zijn in een groter geheel; een levend ‘embedded’ systeem. Het gaat daarbij om naast de eigen (vaak interne) dynamiek van de organisaties in de tijd, betekenis te geven aan de dynamiek tussen organisaties en de omgeving waar zij deel van uitmaken en die zij door hun handelen beïnvloeden[1] . Om dit te willen zien en er vervolgens mee om te durven gaan, vergt de moed om de ‘plek der moeite te betreden’, een gevleugelde uitspraak van prof. André Wierdsma[2].

Deze benadering  kan leiden tot zogeheten ‘emergingcomplexity’.[3] Dit doet zich voor in situaties waarbij (a) de definiëring van de situatie nog in ontwikkeling is, (b) nog onduidelijk is wie de voornaamste belanghebbenden zijn en (c) er dus geen adequate benadering voor interveniëren voor handen is. Wanneer de toekomst niet kan worden voorspeld op grond van trends uit het verleden, moeten vraagstukken worden aangepakt die zich ‘vrijwel onvoorspelbaar’ ontwikkelen. Hoe groter dit soort complexiteit, des te minder men kan vertrouwen op ervaringen uit het verleden, omdat deze niet toereikend zijn.

Dit dwingt tot bescheidenheidvanuit de erkenning dat er altijd onbedoelde effecten zullen optreden. Het leidt tot het besef dat elk vraagstuk ingebed is in een omvattender constellatie en dus gedeeltelijk contextueel wordt beïnvloed. Bestuurders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het reilen en zeilen van onze samenleving zullen zich terughoudend moeten opstellen en tegelijk mogen zij zich door deze moeilijk (be)grijpbare werkelijkheid niet laten verlammen. De vraag wordt: hoe kan ik de processen, die gericht zijn op het realiseren van onze doelstellingen vanuit een meer horizontale positie ondersteunen? Het leren omgaan met onzekerheid impliceert dat we in de toekomst bescheiden en flexibele scenario´s moeten ontwikkelen en hanteren vanuit het streven naar consistentie, coherentie en coördinatie. We moeten ons daarbij realiseren dat elke ordening een momentopname is. Elke ordening is de tijdelijke uitkomst van een wisselwerking tussen actoren, activiteiten en structuren (procedures, protocollen, regels, uitgangspunten). Hierbij zijn vier soorten criteria tegelijkertijd (op elkaar) betrokken, te weten correspondentie, complementariteit, contrast en hiërarchie.

Voor het volledige artikel neem contact met me op.